Salar de Uyuni tocht
Onze tocht begon om 07.45 uur in San Pedro. We zouden eerst met een bus naar de grens worden gebracht, alwaar we dan over zouden stappen op een jeep. Vandaag zouden drie jeeps de woestijn in trekken. Wij werden bij 3 andere Nederlanders en een Amerikaans meisje ingedeeld.
We maken kennis met onze chauffeur, Fabian, die ons met al zijn kunde zal moeten leiden door de zanderige en rotsachtige woestijnen via geïmproviseerde wegen. Natuurlijk spreekt hij geen woord Engels. Gelukkig spreekt de Amerikaanse een redelijk mondje Spaans, en wil ze wel voor de nodige vertalingen zorgen.
Voorbij de douane van Chili en Bolivie zetten we koers richting Laguna Blanca, daar worden we vergast op een ontbijtje met natuurlijk Coca thee. Was het niet vanwege de hoogte, dan wel vanwege de kou, dat we ons de thee goed laten smaken.
Niet ver daar vandaan ligt Laguna Verde (door het aanwezige magnesium, calciumcarbonaat, lood en arseen verkrijgt het meer een prachtig groene kleur), gelegen aan de voet van de vulkaan Licancabur (hoogte = 5916 m ). Helaas is het nogal grauw weer, de kleur van het meer is prachtig, maar van de omringende vulkanen zien we niet zo veel. Maar er worden toch de nodige foto’s gemaakt!
Nu kon onze rit eindelijk echt beginnen, met de bagage op het dak snelden we naar onze volgende halte: Termas de Polques, waar we een heerlijke ochtendduik konden nemen in de warme baden die een gezellige temperatuur van rond de 37ºC gaven. Even hebben we staan aarzelen. Het was behoorlijk koud, maar een dergelijke kans krijg je natuurlijk niet meer… dus toch dapper ons uitgekleed om lekker op te warmen in het thermische water. Niet lang nadat we erin zaten werden we verrast door een miezerige sneeuwbui (hoezo geen neerslag in de Atacama woestijn). Maar gelukkig liet de zon zich na een minuur of 10 ook weer zien. Na een minuut of 20 badderen wilde onze chauffeur weer verder.
Op weg naar ons volgende doel, de op 4950 m. gelegen geisers van Sol de Mañana kwamen we door een woestijn waar de Spaanse meesterschilder, Salvador Dali zijn inspiratie vond (zie het bekende schilderij met de horloges die afglijden van onregelmatige rotsblokken). Dat had tot gevolg dat het stukje woestijn zelfs naar zijn naam benoemd is. Helaas was het zicht hier weer wat minder.
Tja, en het kon natuurlijk niet uitblijven…, onze jeep vond de klim omhoog toch wel wat teveel van het goede, en protesteerde door enorme rookwolken onder de motorkap te produceren. Fabian had geen koelwater bij zich en dus offerde Kaylen haar mineraalwater om de motor wat af te koelen.
Een half uurtje later moesten we een andere jeep te hulp schieten. De inzittenden zagen ineens een wiel voorbij komen, bleek van hun jeep af te komen. Maar goed, de chauffeurs zijn aardig behendig in het verhelpen van dit soort pechverschijnselen, dus duurde het oponthoud niet heel erg lang. Op de reparatiemomenten scheen de zon lekker.
Toen we de geisers bereikten liet de zon het afweten.
Sol de Mañana is een thermisch veld waarin diverse vulkanische verschijnselen te zien zijn. Van hete sulferachtige stoom, tot sputterende modderpoelen die overal een verschillende kleur aannemen en geisers. Een indrukwekkend gezicht, maar ook wel wat eng…, doordat op verscheidene plaatsen de aardbodem fragiele vormen aantoont en de stoom een verstikkend effect heeft. Bovendien maakt het geurtje van rotte eieren het ook niet echt aangenaam.
Wederom was het stervenskoud, dus maar weer snel verder getrokken naar onze eindhalte voor de eerste dag: Laguna Colorado. We stoppen aan de noordzijde om naar de duizenden prachtige flamingo’s te kijken, gelukkig laat de zon zich weer zien en hebben we hier wel zicht op de omringende vulkanen.
Aan de zuidzijde van het 60 km2 grote meer ligt onze overnachtingsplek. Een wel erg basic gebouwtje zonder verwarming, met slaapzalen voor 6 personen.
Ik beland op de onderste van een stapelbed. Gelukkig liggen er wel zes dekens op. Ik voeg daar mijn fleece slaapzak nog aan toe. ’s Nachts kan het hier tot wel -20 graden afkoelen. Maar zelfs nu heb ik het al stervenskoud in mijn lange thermo-ondergoed, T-shirt, fleecetrui en jas. Dus met alles aan, schuiven we aan aan tafel.
Op wat koude rillingen na, heb ik de koude nacht redelijk doorstaan, alleen werd helaas mijn bovenbuurvrouw (23- jarige Lindsey, een Nederlandse die al 6 maanden op reis was) ziek (hoogteziekte) en daar mocht iedereen van mee genieten.
Tot 3 keer toe wist ze het hele huis wakker te krijgen met haar gejammer en gevloek.
Het was weer vroeg dag, nog voor de zon zijn gouden stralen kon werpen op het meer en de omringende bergen begonnen we onze bagage weer in te pakken en konden we daarna aanschuiven aan de ontbijttafel. Rond 08.00 uur reden we weer aan. Gelukkig was er nu nauwelijks een wolkje te bekennen. Sterker nog, ik had het zelfs warm achter de voorruit van de jeep.
Net als de dag voordien waren surrealistische verschijningen de algemene norm, en het werd nog onwaarschijnlijker toen de arbol de piedra in ons vizier kwam. Dit vulkanische gesteente onderging door winderosie een metamorfose waardoor het net op een versteende boom lijkt. Daarna stonden er een reeks meren op ons programma die samen de lagunas Altiplanicos genaamd worden. Elk in een blanke kleur dankzij de borax die er te vinden is en bewoond door tientallen Flamingo’s.
Wat me erg tegen viel is dat er nauwelijks tijd was voor wandelingen (dat stond wel in ons programma). Onze stops bedroegen meestal niet meer dan 10 minuten. Behalve dan de stop in het authentieke dorp Villa alata waar we stopten voor een lekkere lunch. Daar mochten we zowaar een 20 minuten door het dorpje struinen.
We zijn ook nog even gestopt in San Augustin, de hoofdstad van de provincie met maar liefst bijna 200 inwoners.
Het leven is daar echt nog heel traditioneel. Ze leven vooral van de landbouw van Quinea en bonen. Het dorp San Juan was al weer wat toeristischer en had enorme kuddes lama’s rondlopen die we uitgebreid konden fotograferen omdat Fabian terugreed om de derde jeep te zoeken die nog steeds niet aangekomen was.
Onze tweede dag werd beëindigd in een klein dorpje, aan de rand van de Salar de Uyuni, het grote zoutmeer.
Hier hadden we een wat schonere slaapgelegenheid, met zowaar een warme douche. Maar eten deden we toch maar weer met onze jassen aan.
De 3de en dan ook de laatste dag wordt ingezet met een stralend zonnetje, een aangename temperatuur en een ontbijt pas om 8.30 uur. Eindelijk kunnen we wat slaap inhalen.
Salar de Uyuni, een zoutvlakte van maar liefst 12.000km2 groot (ter verglijking: Vlaanderen is 13.500km2 groot) op een hoogte van 3650 m. Het omvat naar schatting een 10 miljard ton zout waarvan er maar 25.000 ton gewonnen wordt voor consumptie. De laag zout is meer dan 40 meter dik. Een schitterend spektakel: uren rijden in een witte vlakte met een onveranderende witte horizon, kristaliserende zeshoeken die het oppervlakte een cracklerend effect geven.
Onze eerste halte was op de zoutvlakte zelf alwaar we allerlei geinige foto’s konden maken. Het was leuk om wat te experimenteren met de digitale camera, daar de uitgestrekte witte vlakte een diepte-illusie teweegbrengt.
Op de zoutvlakten kwamen we onderweg af en toe een eiland tegen. Eén eiland, Isla de pescado genaamd (door de weerspiegeling had het in de verte de vorm als een vis…) te midden van de vlakte was onze stopplaats.
Het contrast van de groengele cactussen die boven ons uittorenden met het wit op de achtergrond was adembenemend. De indrukwekkendste en dan ook de opa der cactussen was 1200 jaar oud en kon dus pochen met een hoogte van 12 meter.
Bijna aan de overkant wachtte ons een hotel volledig geconstrueerd met zoutblokken en waarvan alle meubilair uit hetzelfde matriaal ontworpen was. Aan het eind van de Salar kwamen we bij het kleine dorpje Cochani, een vestiging waar vele families hun brood verdienen met de zoutwinning. Iedere lid van de familie heeft dan ook zijn functie binnen deze kleine bedrijfjes en is er geen sprake van emigratie. Alles wordt hier ook nog steeds met de hand verricht: met een schop worden hoopjes afgeschraapt en vervolgens op de vrachtwagen geladen. Dit wordt naar de dorpjes getransporteerd en afgeladen, nadien wordt dit gedroogd in de oven, fijngemalen en verpakt en er wordt jodium aan toegevoegd. De mannen die op de vlakte werken hebben vaak door zout aangevreten handen en voeten en verdienen bitter weinig. Nog geen halve euro per dag.
Om 13.00 uur, veel eerder als in ons schema vermeld (en dus zonder de verwachtte lunch), zijn we in Uyuni. We worden nog getrakteerd op een bezoekje aan het treinkerkhof aan de rand van Uyuni en nemen dan vervolgens afscheid van de groep en van Fabien de chauffeur (hier met originele Nederlandse Unox muts).
Om 20,00 uur vertrekt vanuit deze plaats de nachtbus naar La Paz. Gelukkig kunnen we onze koffers achterlaten in het kantoor van Colque tours.
Hoewel niet echt zoals omschreven in ons programma, was deze 3 daagse tour toch een onvergetelijke ervaring…