Op 23 september kwamen we al vroeg in de middag in Puno aan, een gezellig (studenten)stadje aan de Peruaanse zijde van ’s werelds hoogst (3820 meter) gelegen bevaarbare meer, het Titicacameer
Eigenlijk was dat wel een teleurstelling, want volgens ons programma zouden we onderweg van La Paz naar Puno, een paar uurtjes Copacabana bezoeken, een prachtig bedevaartsoord aan de Boliviaanse zijde van het meer. Daar zouden we per boot overgezet worden (de bus op de ene boot, wij op de andere). Maar zoals wel vaker klopte het programma dus niet.
Maar goed, het goede nieuws is, dat je ook hier uitstekend kunt eten. Voor 15 soles p/p (nog geen 4 euro) hebben we een heerlijk 5 gangen menu gegeten met heerlijke verse vis (Elmo had Kingfish, ik forel).
Gisteren werden we na een heerlijk ontbijtje rond om 7.30 uur bij ons hotel opgehaald. Bij de haven kregen we nog even de gelegenheid om rijst, fruit, pasta en andere cadeautjes voor onze gastfamilie te kopen. Vervolgens koersten we direct met onze boot naar de drijvende Uros eilanden, die op een half uurtje varen tussen de rietvelden op het kruispunt van 2 diepe vaargeulen lagen. Anders dan ik verwacht had, lagen de drijvende eilandjes zowat tegen elkaar aan. De relatief kleine bevolkingsgroep van de Urosindianen trokken zich eeuwen geleden terug op het meer om te ontkomen aan de dictatuur van de Colla en Inca cultuur. Sindsdien beschouwen ze zich ook als onafhankelijk en willen niet tot Peru behoren. Maar de laatste jaren vermengen ze zich steeds meer met de Aymara indianen van het vasteland en spreken ze nu ook deze taal. De Uros leven voornamelijk van de visvangst en het toerisme en hebben ook hun eigen munteenheid: de Uros soles (maar onze Peruaanse soles bleken toch meer dan welkom).
Ieder eiland heeft zijn eigen uitkijktoren waarop ook de naam van het eiland vermeld staat. Natuurlijk waren we niet de enige boot en op ieder eiland waar nog geen boot aangemeerd lag, stond een ontvangstcomité van kleurrijk geklede vrouwen en mannen klaar.
Wij bezochten het eilandje Chumi. De eerste stappen voelde het eiland aan als een zacht deinend waterbed. Na de nodige handjes geschud te hebben werden we naar een ronde rieten “bank” geleid voor de uitleg over de leef- en eetgewoonten van de Uros en natuurlijk voor de demonstratie eiland bouwen. Het meer is hier circa 15 m. diep en van onderen verrot het riet continu, zodat de indianen met regelmaat het eiland aan de bovenkant ophogen met nieuwe lagen totorariet. Ook de boten en kano’s met drakenkoppen gaan maar een paar maanden mee voordat ze beginnen te rotten.
Nadat iedereen de nodige foto’s genomen had, konden we ons op een rieten “dubbeldekkerboot” naar een ander eiland laten varen. De opbrengst van het tochtje kwam natuurlijk ten goede aan de eilandbewoners. Tja en om ons schuldgevoel af te kopen dat we geen souvenirs kochten… Enkele Chileense reisgenoten kozen ervoor met onze eigen boot te gaan, dat vond ik wel wat flauw… maar goed. We werden hartelijk uitgezwaaid door de gastvrouwen, terwijl ze enkele liederen ter afscheid zongen. Twee Urosmannen peddelden hun best om onze drakenboot naar de overkant te brengen.
Het tweede eiland Kamisaraki was wat minder romantisch. Daar stonden ook hutten en een winkel/restaurantje van golfplaten op. Maar het was wel duidelijk dat ook op dit eiland echt geleeft werd, in tegenstelling tot wat sommigen beweren (dat de bevolking ’s avonds gewoon naar Puno gaat om te overnachten. Achter de schermen hing de was te drogen en liepen de eenden rond tussen kookafval en slaaphutten.
Na dit bezoek was het 3 uur varen naar Amantani, een van de vaste, bergeilanden van het Titicacameer. Daar werden we opgewacht door een grote groep breiende en woltwijnende vrouwen met groene rokken en geborduurde blouses.
Onze gids bepaalde wie met welke gastvrouw mee ging. Wij kregen Reina toegewezen, een gezette dame van (bleek later) slechts 29 jaar. Al breiend liep ze voor ons uit naar haar huisje dat aan één kant mintkleurig geschilderd was. Onze kamer konden lag op de bovenverdieping en zag er schoon en fris uit: lichtroze wanden, een blauwe vloer van gevlochten plastic en een dito wit plafond. Er stonden drie bedden met vrolijk gekleurde kleden eroverheen, een spiegel en een kaars met lucifers.
Gelukkig 3 bedden…, want we zijn ’s avonds aardig creatief geweest met het door middel van dekens opvullen van de kuilen in het matras en de in mijn bed doorgezakte rieten bedbodem.
Maar wonder boven wonder hebben we er redelijk goed geslapen, ondanks of dankzij het oorverdovende gekletter van de regen op het golfplaten dak. Want ’s avonds brak, na een stralende dag, de hemel open!
Maar goed, ik schrijf te snel vooruit. Rond 14.30 uur kregen we de lunch, een traditionele, lekker quinua soep met groenten en een bord met iets dat leek op wormen (aldus een medereizigster) en brokken herkenbare aardappel. Goed, de wormen bleken ook een aardappelsoort. Eén van de bijna 400 soorten die in Peru voorkomen. En begeleid door een plat stukje smakelijke kaas was het een best smakelijke en in ieder geval voedzame maaltijd.
Inmiddels waren er nog 2 kinderen uit school thuis gekomen. Pablo, de oudste zoon van 9 en Maryloes van 7. Voor die tijd hadden we ons al aardig vermaakt met de twee kleintjes van 2 en 3. De heer des huizen Evangelico was mooi van lelijkheid. Zelden heb ik iemand zo zien loensen. Het was een ontzettend lieve, verlegen en gastvrije man.
Tegen vieren werden we door Pablo de berg op gegidst naar het zo’n 200 meter hoger gelegen communitiecenter. Op deze hoogte is stijgen echt doodvermoeiend. Had voortdurend het gevoeld dat mijn benen gevuld waren met quinua soep en moest om de paar meter stoppen om uit te hijgen. Bij het plein werden we opgewacht door onze gids die ons nog eens een dikke 150 meter bergopwaarts liet ploeteren naar de top van de berg, waarop de Pachatata tempel lag.
Maar de uitzichten op het meer en de eilanden, de prachtige zonsondergang lucht, maakte het de moeite waard!
Eigenlijk zouden we ’s avonds na het diner nog een feest hebben waarin we allemaal door onze gastvrouwen in traditionele kledij gestoken zouden worden voor een swingend einde van de dag. Maar al tijdens ons diner (soep en rijst met groenteprutje en kruidenthee) regende het pijpenstelen. En eerlijk is eerlijk, we voelden niets voor een glibberpartij op de overwegend zandpaden naar de feestbestemming (wederom het communitiecenter dat 200 m. hoger lag!!!)
Ons bezoek in het donker aan het op het erf gelegen toilethokje was al een grote glijpartij.
Om een beeld te geven van de leefomstandigheden van deze mensen. Haal je het schilderij van Van Gogh van de aardappeleters voor de geest. Haal dan de stoelen weg en je komt in de richting. Het schuurtje waar wij te eten kregen lag vol met een stapel planken en wat juten zakken. Achterin werd door een muurtje aan weerszijden een keukentje van nog geen 2 m2 afgescheiden. Links een kleine laag, houtgestookt kleifornuisje waar één pan op past en waar Reina ons eten op klaar maakte. Rechts zat op een minuscuul krukje pa en op omgekeerde emmers Pablo en Maryloes. En dat alles zonder verlichting, alleen het schijnsel en de warmte van het fornuisje.
Voor ons waren twee keukenstoeltjes en een tafel met een kaarsje gereserveerd. Terwijl wij daar aten, at de familie in het kookgedeelte waarvan de grond vol stond met pannen en kookafval. Onvoorstelbaar in deze tijd, als je het zelf niet meemaakt!
Vanochtend werden we na een stevige pannenkoek als ontbijt, door onze gastvrouw terug naar de boot gebracht. Na natuurlijk nog wat afscheidfoto’s te hebben gemaakt. Helaas was Evangelico er niet bij. Die was met de boot naar een naburig eiland.
Na een uurtje bereikten we Taquile, een eiland waarop men nog volgens socialistische methoden leeft. De mannen breien hier de mutsen. Zelf dragen ze een rode muts met motieven als ze getrouwd zijn, en een rood witte als ze nog vrijgezel zijn. Getrouwde vrouwen dragen een zwarte rok met rode trui en zwarte lange hoofddoek, vrijgezelle vrouwen zijn kleuriger.
We werden aan een kant van het eiland afgezet en hadden na de nodige uitleg lekker vrije tijd om op ons gemak het eiland te bewandelen. Ruim drie uur en een lekkere forellunch later werden we aan de andere kant van het eiland weer opgehaald, om vervolgens na drie uur varen weer bij ons hotel in Puno te worden afgezet. Wederom een onvergetelijke ervaring!